Heilig Avondmaal 

Het Heilig Avondmaal, of Maaltijd van de Heer, is een instelling van Jezus. Jezus vierde met zijn discipelen één dag voor zijn sterven het avondmaal. We kunnen dit lezen in Mt.26:17-30, Mc.14:12-26 en Luc.22:7-38. In Johannes lezen we niet over de instelling van het avondmaal, maar we lezen wel over de maaltijd als zodanig in Joh.13 t/m 17. In Joh.13:2 lezen we over “de maaltijd”. Johannes vertelt weer over de voetwassing van de discipelen, die tijdens de maaltijd plaatsvond, terwijl we niet over de voetwassing lezen in de drie andere evangeliën. Dat betekent niet dat de vier evangeliën elkaar tegenspreken, maar elkaar juist aanvullen. Johannes geeft bijvoorbeeld redevoeringen en onderwijs van Jezus door, die Hij tijdens de maaltijd gaf. Een tekst die theologisch vaak wordt betrokken op het avondmaal, maar chronologisch hoort bij de spijziging van de vijfduizend (Joh.6:1-15), is Joh.6:22-59.

Jezus vierde op donderdagavond vóór zijn sterven op vrijdag het laatste avondmaal. Deze maaltijd komt niet zomaar uit de lucht vallen, maar is een bestaande maaltijd en instelling, die Jezus echter nieuwe inhoud geeft. De maaltijd die Jezus met zijn discipelen vierde was het Pascha of Paasmaaltijd. Tijdens deze maaltijd werd de uittocht uit Egypte herdacht en gevierd (Ex.12:1-28). God heeft aan Israël de opdracht gegeven om elk jaar het Pascha te vieren als teken dat Hij zijn volk bevrijd heeft uit de slavernij van Egypte. Door het bloed van het lam of bokje, dat op de deurpost werd gestreken, werd de eerstgeborene in leven gelaten door de engel des doods. Pascha betekent “voorbijgaan”, en doelt op het voorbijgaan van de engel om niet te doden.

Het Pascha wordt ook wel het feest der ongezuurde broden genoemd. Er mocht geen zuurdeeg in het brood verwerkt worden. Zuurdeeg, dat het brood doet rijzen, was een symbool van onreinheid (het verzuurt, is aan bederf onderhevig), en dat mocht geen plaats hebben in het Pascha vanwege de reinheid en heiligheid van God. Het brood bleef dus ongezuurd.

Op de eerste dag van het zeven dagen durende feest werd de maaltijd ’s avonds gehouden. Deze avond wordt Seideravond genoemd. Het was op deze avond dat Jezus met zijn discipelen het laatste avondmaal vierde. Deze avond werd door gezinnen thuis in de huiskamer gevierd. Vandaar dat we Jezus en zijn discipelen, als een soort gezin, in de bovenzaal de maaltijd vieren.

Deze avond had een vast ritueel van opeenvolgende handelingen. Op deze avond werd het Paaslam, dat eerder op de dag geslacht en bereid was, gegeten als herinnering aan het lam of bokje dat in Egypte was geslacht voor het bloed op de deurposten. Daarnaast waren er bittere kruiden vanwege de bitterheid van de slavernij.

Ook werd brood gegeten: ongezuurde, platte broden. De Joden noemen deze broden matzes. Over dat brood lezen we in de bijbel, als Jezus het brood breekt en het aan zijn discipelen uitdeelt. Ook werd wijn gedronken. Viermaal tijdens de maaltijd werd wijn gedronken. Daarom lezen we in Luc.22:14-20 tweemaal over het rondgaan van de beker met wijn. Wijn is zowel symbool voor oordeel en straf (Opb.19:15) als voor leven en overvloed (zoals op de bruiloft in Kana). Tussen het eten en drinken door werd de geschiedenis van de uittocht uit Egypte gelezen en werden er liederen gezongen. Dat waren de psalmen 113 t/m 118, het zogenaamde Hallel. Hallel betekent lofzang. Ook Jezus heeft met zijn discipelen de geschiedenis van de uittocht gelezen, brood en lamsvlees gegeten, wijn gedronken en het Hallel gezongen (Mt.26:30). Over brood en wijn werden de zegen en de dankzegging uitgesproken.

Tijdens de maaltijd nam Jezus brood en wijn om dat uit te delen, maar nu gaf Jezus er een geheel nieuwe betekenis aan. Hij betrok brood en wijn op zijn lijden en sterven (Mt.26:26-28). We zien hier de lijnen vanuit het Oude Testament (Ex.12) doorgetrokken worden naar Jezus in in hem in vervulling gaan. Het Pascha was in feite een vooruitwijzing naar Jezus’ sterven aan het kruis. Zoals het bloed van het lam aan de deurposten bevrijding van dood en slavernij in Egypte betekende, zo is het bloed van Jezus bevrijding van de eeuwige dood en de slavernij van de zonde. Zoals het Paaslam werd geslacht, werd Jezus als ons Paaslam of Lam van God geslacht (zie I Cor.5:7; Joh.1:29; Joh.6:53-58).

Jezus gaf dus een geheel nieuwe betekenis aan het Pascha. Hij gaf aan zijn discipelen (en dus ook aan ons) de opdracht om geregeld het avondmaal te vieren: “Doet dit tot mijn gedachtenis”. Het avondmaal is dus niet alleen een uitnodiging van Jezus, maar ook een opdracht. Als gelovigen dus bewust niet deelnemen aan het avondmaal is dat eigenlijk een zonde.

We zien dat de eerste christenen gehoor gaven aan deze opdracht van Jezus. Zo lezen we in Hand.2:42 dat de gelovigen regelmatig samenkwamen om het brood te breken. Zie ook Hand.20:7,11. Hoe vaak de eerste christenen het avondmaal vierden kon per gemeente verschillen. Velen deden het wekelijks, op de zondag (Hand.20:7), anderen (bijna) dagelijks (Hand.2:46). Men vierde het avondmaal tijdens een complete maaltijd, zoals Jezus dat deed met zijn discipelen op Seideravond. De bijbel noemt dergelijke maaltijden ook wel liefdesmalen (Jud.12). Het element van een complete maaltijd rondom brood en wijn is in veel kerken verloren gegaan, en is alleen een stukje brood en een slokje wijn overgebleven.

 
 

De bijbel geeft niet aan hoe vaak we het avondmaal moeten vieren. Paulus zegt in I Cor. 11:26: “Zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt”. In de Rooms-Katholieke Kerk wordt de eucharistie iedere week gevierd, en bij de Vergadering van Gelovigen eveneens. In veel Vrije Evangelische Gemeenten gebeurt het tussen de zes en twaalf keer per jaar. De calvinistische gewoonte om het avondmaal slechts vier keer per jaar te vieren had een praktische reden: Calvijn had namelijk geboden dat de hele gemeente vooraf door de ouderlingen bezocht moest worden om te zien of de gelovigen wel met de juiste gezindheid aan de maaltijd gingen. Veel meer dan vier keer per jaar kon een ouderling zijn wijk niet langs. Calvijn wilde het liefst elke zondag avondmaal vieren.

Uitvoerig lezen we over het avondmaal in de eerste brief van Paulus aan Corinthe. Dat komt omdat in de gemeente van Corinthe allerlei wantoestanden rondom het avondmaal waren, waar Paulus op ingaat in zijn brief.

In I Cor.10 namen gelovigen deel aan heidense offermaaltijden in tempels, die gewijd waren aan afgoden. Daardoor hadden ze contact met de afgoden en de daarachter schuilgaande demonen. Al voordat ze christen werden, deden ze mee aan de offermaaltijden, vanwege de sociale en economische contacten. En ze zetten dat ook voort toen ze christen waren geworden. Maar je kunt niet én deelnemen aan de maaltijd van de Heer én aan de heidense offermaaltijden. Je kunt niet én gemeenschap hebben met de Heer én met de afgoden en demonen. Dat wil Paulus rechtzetten.

In I Cor.11 liepen de maaltijden van de Heer compleet uit de hand. Aan de maaltijden namen rijke en arme mensen deel. De mensen moesten hun eigen eten en drinken meenemen. Ook hier betrof het rondom het avondmaal complete maaltijden. De rijke gelovigen konden zich meer veroorloven dan de arme gelovigen, die vaak maar weinig konden meenemen. De rijken deelden niet met de armen, en wachtten ook niet op hen, maar begonnen alvast hun eigen deel te eten en te drinken. En wel zó dat het bijna orgieën waren: mensen werden zelfs dronken van de wijn. De armen konden toekijken. Dit ging lijnrecht in tegen het principe en de strekking van het avondmaal. Liefde, gemeenschap en delen met elkaar waren ver te zoeken. Daarom aten ze op onwaardige wijze het brood en dronken op onwaardige wijze de wijn, tot ieders eigen oordeel, en bezondigden zij zich aan Jezus’ offer als het Lam van God. Gods oordeel was duidelijk: ziekte en zelfs overlijden (vs.30).

De woorden in vs.27-29 “deelnemen op onwaardige wijze” en “tot zijn eigen oordeel eten en drinken” zijn echter vaak uit hun verband gerukt en een eigen leven gaan leiden bij de viering en beleving van het avondmaal. Dat heeft tot avondmaalsmijding in orthodox-protestantse kerken geleid. De gedachte is dan, dat je beter helemaal niet kunt deelnemen aan het avondmaal, want dan kun je ook niet op onwaardige wijze deelnemen. Echter in Corinthe worden de uitspattingen veroordeeld en niet het op normale wijze deelnemen aan het avondmaal. Jezus verlangt er juist naar om met ons, als verloste zondaren die weten dat ze alleen maar kunnen en willen leven van genade en vergeving, de maaltijd te vieren. Jezus zegt tegen zijn discipelen (en ook tegen ons): “Ik heb er vurig naar verlangd dit Pascha met jullie te eten” (Luc.22:15).

I Cor.10 laat ons duidelijk zien wat de kern en essentie van het avondmaal is: je hebt gemeenschap met Christus (vs.16). In het avondmaal gebeurt zichtbaar en tastbaar wat Jezus zegt in Joh.14:20: “Ik ben in jullie en jullie zijn in mij”. Wij zijn in het avondmaal met Jezus verbonden. Wij kijken in het avondmaal niet alleen terug op wat Jezus voor ons aan het kruis gedaan heeft (“Doet dit tot mijn gedachtenis”), en we kijken niet alleen vooruit naar het grote moment dat Jezus zélf ons brood en wijn geeft in zijn koninkrijk (Mt.26:29), maar we kijken ook naar het heden: dat we gemeenschap hebben met Christus.

Is het dan geen geweldig voorrecht om het avondmaal te vieren?

Voorwaarde om aan het avondmaal te kunnen deelnemen is je persoonlijk geloof in Jezus Christus als je Heer en Heiland. Daarnaast is het ook een voorwaarde om te kunnen deelnemen, dat je niet in onenigheid met medegelovigen leeft (vgl. Mt.5:23-24). Maar de laatste voorwaarde is vanzelfsprekend als je een volgeling van Jezus bent.